Erfgoed

Erfgoed (column)
 
Het aantal echte Utrechters neemt af, nog maar een derde van de inwoners is in de stad geboren en als het zo doorgaat worden dit er nog minder. Arbeiders worden de stad uit gejaagd vanwege de huizenhoge huizenprijzen, en voor grof geld sociale huurwoningen verkopen aan oliesjeiks zal vast ook niet meehelpen om de Utrechtse volkscultuur te behouden. Het zou toch jammer zijn als de echte Utrechter straks alleen nog maar als cultureel erfgoed in het museum te bewonderen valt, als een soort van bontgekleurde Hans Spekman-trui.
 
Ik rijd de Gele Brug over, en neem de afslag richting het Thomas A. Kempisplantsoen. Uit gewoonte heb ik de navigatie ingesteld op mijn telefoon, of eigenlijk meer omdat ik ervan overtuigd ben dat sommige straatnaamborden zich regelmatig in het geniep verplaatsen om mij het spoor bijster te laten raken. De vrouwenstem lijkt te struikelen over De Royaards van den Hamkade en de Sint Josephlaan, zij spuugt er iets onverstaanbaars uit. Vast te vaak nieuwerwetse Utrechtse straatnamen gerepeteerd, zoals Muurkruid, Heivlinder of Klip. Ik moet in de Anton Geesinkstraat zijn, en parkeer mijn auto in de Okkernootstraat. Je mag je auto daar legaal op de stoep parkeren, maar ik voel mij toch een beetje betrapt door een man die net zijn tuintje in loopt, een halve meter van mijn auto vandaan. Het schijnt hem niet te deren, want hij zegt vrolijk gedag. Een andere man die vermoedelijk iets te vaak van het schuimend goud geniet, knikt vriendelijk terwijl zijn onooglijke hondje demonstratief zijn achterpoot optilt naast de heg.
 
Ik heb afgesproken in café Murk, al 118 jaar beroemd en berucht in de Utrechtse wijk Ondiep. Je drinkt er geen hipster-soja-latte maar je pakt er gewoon een biertje. Er staat geen sushi op de kaart, maar in boterhammenworst gerolde plakken augurk, leverworst, kaas, Amsterdamse uien, en overheerlijke eigengemaakte gehaktballen, die de uitbater trots serveert. Het voelt opeens vertrouwd, alsof ik weer terug ben in mijn jonge jaren, op een verjaardagszitfeestje van tante Miep, waar glaasjes sigaretten en schaaltjes borrelnoten gemoedelijk op tafel staan. “Wat moet je nu in Leidsche Rijn, vraagt een stamgast in werkpak aan mij, je hebt er niet eens een echt café.” Daar kan ik niet zoveel tegenin brengen. Ik sputter zwakjes iets over een theater, Máximus-bier en een nieuw centrum, maar er wordt hard gelachen. „Hier zeggen we elkaar nog gedag, en helpen elkaar als het nodig is. Ach, sommige van die hoogopgeleide types die hier komen wonen, zijn wel aardig hoor, maar erg op zichzelf en ze zwaaien nooit.”
 
Als ik later terugloop naar mijn auto, zie ik aan de overkant de man met het onooglijke hondje. Ik twijfel geen moment en zwaai naar hem. Hij zwaait vrolijk terug en zijn hond plast tegen de heg. Misschien moet zwaaien tot cultureel erfgoed worden verheven, net als trouwens de gehaktballen van café Murk. Blijft de Utrechtse volkscultuur toch nog een beetje bestaan.
De Telegraaf (Utrecht) d.d. 7 februari 2018
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *