Kaulo 1 april

Het is 1 april, een dag om extra op je hoede te zijn. Het nepnieuws vliegt je mailbox in. De Dom moet binnenkort afgebroken worden, er is niet genoeg geld om de toren te restaureren. Het geld moet allemaal naar de nieuwe tram. En in Leidsche Rijn komt de eerste nachtkroeg, want daar zit de wijk al eeuwen op te wachten. Maar helaas…

Twee ventjes van een jaar of elf, twaalf, drentelen voor de ingang bij de buurtsuper waar ik snel wat boodschappen wil doen eind van de middag. Ik gok dat ze op de middelbare school zitten, dat hóór je. Mijn zoons veranderden taalkundig ook in een stel Vinex-gangsters, wat soms best koddig aandoet met die slungelige lijven op hun glimmende fietsen mét rugzakdragers (om het been onder het vel een beetje te ontlasten tijdens die ’kaulo lange fietstocht’). ’Kaulo’ kan je trouwens bij elk willekeurig bijvoeglijk naamwoord inzetten, het dikt het net even lekker aan. Ach, je kan er maar beter de humor van inzien, en hopen dat ze ooit weer eens fucking normaal gaan praten.

Een van de jongens heeft een beduimeld boodschappenbriefje in de hand. Ze praten stoer, al detoneert dat wel met het vasthouden van een boodschappenbriefje. „Ech niet chill dat we boodschappen moeten doen voor je oma kil”, zegt de langste van de twee straattalerig.

Ze slenteren samen de winkel in. De kleinere jongen logeert bij zijn oma, en het slungelige vriendje mag blijven eten. „Gatver, maar we eten toch zeker geen bonen vanavond?”, gruwelt de langere na een blik op het briefje. De kleine is het er roerend mee eens: „Ja echt hè. Bonen zijn kaulo vies.”

„Weet je gast, zullen we anders 1-aprilgrap uithalen (in straattaal zijn lidwoorden overbodig). We zeggen dat de winkel ontruimd moest worden, omdat er een granaat lag, en dan nemen we friet mee.” De kleine weifelt, maar durft geen nee te zeggen. „Kaulo goed idee”, zegt hij schoorvoetend. Ze sloffen de winkel uit, richting de friettent verderop. Ik denk aan het verbijsterde gezicht van de arme oma, als die twee zonder boodschappen, mét friet en een wild verhaal over een granaat thuiskomen. Nadat ik het dagelijkse gezinsproviand in de fietskrat heb gepropt, stiefel ik nog even naar de bloemenwinkel.

Daar tref ik de twee jongens, met een dampende gezinszak patat onder de arm geklemd. „Die is mooi voor d’r.” De langere wijst enthousiast naar een bos gemengde tulpen. Dat vindt de kleine ook: „Kaulo dik zijn die bloemen”, zegt hij tevreden terwijl ze naar buiten lopen richting hun glimmende fietsen.

Gelukkig is 1 april weer voorbij. Maar de bloemen zullen de ’grap’ vast kaulo dik goed hebben gemaakt.

gepubliceerd d.d. 3 april in De Telegraaf

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *