Tijd

Tijd (column)
 
Soms ben je op een plek die je doet beseffen dat de tijd niet stilstaat. Dat de tijd – gevangen in een combi-magnetron, onderin het scherm van de laptop of op het dashboard van een auto- iedere seconde verder tikt.
Behalve wanneer je de Domtoren bent, toe aan een grondige restauratie. Dan is het uit praktische overwegingen handig om tijdelijk niet meer te tikken, en dat doet-ie dan ook niet meer. De vier hoogbejaarde, sleetse wijzerplaten zijn van de week voorzichtig gedemonteerd – knap staaltje grote-mensen-technisch- lego – waardoor de Utrechtse binnenstad voor vijf jaar tijdloos door het leven zal gaan. Bij wijze van spreken dan, want de wijzers achter het glas van de mobiele telefoon in tas of kontzak blijven natuurlijk wel gewoon lopen.
 
Vijf jaar. 260 weken, 1825 dagen. Ontelbare uren (rekenen is niet mijn sterkste vak). Wat kan er in die tijd allemaal niet gebeuren? Hoe ziet de wereld er dan uit? In vijf jaar tijd groeit een puber van dertien op tot een volwassen mens (als zijn prefrontale cortex ‘m tenminste niet al te stomme dingen laat doen). Over vijf jaar viert het gisteren getrouwde stel zijn houten bruiloft, ikzelf trouwens mijn kristallen (naar believen kunt u googelen uit welk materiaal die van u over vijf jaar bestaat). En is de huilbaby van een paar huizen verderop een tweedejaars parmantige kleuter geworden, klaar voor zijn eerste zwemles.
Hoe dan ook, wanneer de tegen die tijd opnieuw vergulden wijzerplaten weer op hun plekkie bovenin de toren hangen, is de tijd vijf jaar opgeschoven.
 
Toen ik van de week op de lommerrijke Meentweg in De Meern voor de villa stond waarover een deel van de buurt – vanwege de komst van een kleinschalige opvang voor jonge vluchtelingen – in rep en roep is, gingen al mijn zintuigen weemoedig vijf jaar terúg in de tijd. Want de villa ligt naast een park waar honderden kinderen jaarlijks de tijd van hun leven hebben, tijdens de zomerse ‘kindervakantieweek’. Ik hoor de hoge kinderstemmetjes nog gillen van plezier als de brandweer ze nat spetterde, ik zie de ijverig gebouwde hutten staan en ruik vooral de weeïge lucht – een combinatie van natte kleding, modder en etensresten – die bij thuiskomst uit de rugzakjes van mijn kinderen ontsnapte. Gelukkige kinderen die mazzel hebben, want ze groeien op in een beschermde omgeving, liefdevol verzorgd door hun ouders.
 
Sommige mensen noemen de tieners – in hun uppie gevlucht naar Nederland, zonder ouders – gelukzoekers. Nogal een schrijnende term om te gebruiken voor kinderen. Ik hoop dat ze het met het verstrijken van de jaren ergens zullen vinden, geluk. Want je gunt ieder kind de tijd van zijn leven.
De Telegraaf (Utrechtpagina) gepubliceerd 1 mei 2019
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *